Boerenzwaluw (Hiruno rustica)
De boerenzwaluw (Hirundo rustica) is een kleinetrekvogel. Boerenzwaluwen trekken gedurende de lente noordwaarts naar hun broedgebieden in Europa, tot nabij de arctische cirkel. Zijn sierlijke snelle vlucht is bij ons gedurende de hele zomer te zien. Zijn lange vleugels en zijn slanke lijf maken hem zeer geschikt om in de lucht achter insecten aan te jagen. Dan is zijn glanzende metaalblauwe verendek goed zichtbaar en vallen ook zijn uitstekende buitenste staartpennen meestal wel in het oog.
De boerenzwaluw leeft meestal in groepjes, vaak ook met andere zwaluwen zoals huiszwaluw, oeverzwaluw en gierzwaluw. In de herfst verzamelen ze zich tot grote groepen alvorens naar het zuiden te gaan.
Boomklever (Sitta europaea)
De boomklever (Sitta europaea) is het enige lid van de familie boomklevers (Sittidae), orde zangvogels (Passeriformes), dat in de Benelux voorkomt. Het is ook de enige vogelsoort die met evenveel gemak langs een boomstam omhoog klimt als omlaag. Daarin onderscheidt hij zich van spechten, die alleen omhoogklimmen langs boomstammen. Bovendien gebruiken spechten hun staart om op te steunen en dat doet de Boomklever niet. Ook onderscheidt de boomklever zich van de spechten doordat hij een zangvogel is.
De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda’s worden aangeboden.
Boomkruiper (Certhia brachydactyla)
De (gewone) boomkruiper (Certhia brachydactyla) is een zangvogel uit de familie van boomkruipers (Certhiidae). Ze worden ongeveer 13 cm groot. In Midden- en Zuid-Europa komt deze soort veelal op lagere hoogten voor, de boomkruiper kan onder andere in Nederland en België aangetroffen worden. Hun uiterlijk is hetzelfde als dat van de Taiga boomkruiper, maar dan met bruinachtige flanken.
Ekster (Pica pica)
De ekster (Pica pica) komt voor in Europa en een groot gedeelte van Azië.
In Nederland is de ekster vrijwel overal algemeen en wordt door naar schatting 100.000 broedparen per jaar vertegenwoordigd.
Het opvallende bonte verenkleed en de lange staart, samen met de luide karakteristieke roep, maken de soort onmiskenbaar. In open landschap trekt de vogel de aandacht door in groepjes van twee of drie met snel bewegende vleugels een voor een langs te vliegen, onderwijl krassend. Als de vogel neerstrijkt wordt de lange staart meteen omhoog getild, en zorgvuldig van de grond gehouden. Kop, nek en borst zijn glanzend zwart met vaak een metaalgroene of -blauwe glans; de buik en schouders zijn zuiver wit; de vleugels hebben een groene weerschijn. De slagpennen hebben witte binnenvlaggen, wat van onderaf zichtbaar is. Poten en snavel zijn zwart.
Fitis (Phylloscopus trochilus)
De fitis (Phylloscopus trochilus) is een zangvogel uit de familie van zangers (Syviidae). Als ze volwassen zijn, zijn ze ongeveer 11 centimeter groot. Ze fladderen schijnbaar rusteloos tussen bladeren in bossen, parken en tuinen. In feite zijn ze dan op jacht naar insecten en dergelijke. De fitis is vrijwel gelijk aan de tjiftjaf, maar de twee vogels zijn te onderscheiden door de zang. Deze is bij de fitis muzikaal, vloeien en aflopend, terwijl bij de tjiftjaf de zang bestaat uit het herhaaldelijk roepen van tjif-tjaf. Fitissen hebben een grijsgroene rug, gelige onderzijde, witte oogstreep en doorgaans lichte poten.
De fitis komt tijdens het broedseizoen in geheel Midden- en Noord-Europa voor, met uitzondering van IJsland. Ook in Nederland en België
Gekraagde Roodstaart (Phoenicurus phoenicurus)
De gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is een zangvogel uit de familie van lijsterachtigen (Turdidae). Ze worden ongeveer 14 centimeter groot. De vogel komt voor in bossen, parken en tuinen, en waagt zich dicht bij huizen: hij zit vaak op het dak van een gebouw. Opvallend is dat de staart voortdurend trilt. Het nest wordt gebouwd in holten en gaten. Het mannetje heeft een zwarte keel, een oranje borst en een wit voorhoofd. Vrouwtjes hebben een gele borst en een roodachtige staart. Zijn heldere zang is een fluitende roep.
Goudvink (Pyrrhula pyrrhula)
De goudvink (Pyrrhula pyrrhula) is een stevige vink (orde der zangvogels), met een 'stierennek' (Engels: 'Bullfinch'), die ondanks zijn opvallende uiterlijk vaak over het hoofd wordt gezien, omdat hij zo schuw is en zo'n verborgen leven leidt. In Nederland is de goudvink hoofdzakelijk standvogel, zelden in het noorden en westen van het land.
De goudvink wordt wel als kooivogel gehouden. Het is ongetwijfeld één van de mooiste Nederlandse zangvogels.
De goudvink wordt door fruitkwekers wel als schadelijk beschouwd, omdat hij zich soms voedt met bloem- en bladknoppen van fruitbomen.
Grasmus (Sylvia communis)
De grasmus (Sylvia communis) is een zangvogel uit de familie van zangers (Syviidae).
Ze worden ongeveer 15 cm groot. De vogel woont en nestelt in struiken en heggen. Mannetjes hebben een grijze kop, vrouwtjes een bruine. Ze hebben een witte keel en roodbruine vleugels. Ze zijn erg onrustig en komen vliegend continu in en uit de begroeiing om hun lied te zingen. In de lente toont het mannetje zich erg opgewonden, terwijl hij van tak tot tak vliegt, zijn staart uitspreidt en het kuifje opricht.
Zijn zang is afwisselend met noten die de vogel haastig uitstoot, wanneer hij trillend uit een heg opvliegt en er zich dan terug in laat vallen.
Het is een trekvogel, die de winter in Afrika doorbrengt.
Grauwe Vliegenvanger (Muscicapa striata)
De grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) is een kleine, onopvallende zangvogel uit de familie van vliegenvangers (Muscicapidae). Het is de enige uit het geslacht Muscicapa die in Europa voorkomt. Grauwe vliegenvangers worden ongeveer 14 cm groot. Ze komen voor bij bossen en in parken en tuinen. Het nest wordt gemaakt in een muurnis, een holle boom of achter een klimplant. Opvallend is dat de vogels "trekken" met de staart als ze gaan zitten. Als ze jong zijn, zijn ze gevlekt; later hebben ze een licht gestreepte borst en kop. Zijn zang is een laag en bescheiden geluid, als een knarsen van een rad.
Grauwe vliegenvangers komen tijdens het broedseizoen in heel Europa voor.
De houtduif (Columba palumbus) is Nederlands grootste duif.
Houtduiven broeden het liefst in bossen, parken en tuinen. Ze bouwen slordige nesten van takken en het is geen uitzondering dat een ei na het leggen meteen door de losjes gegroepeerde takken op de grond valt. Houtduiven leggen 2 eieren. Na het uitbroeden voederen zowel man als vrouw de jongen. Juvenielen missen in de eerste zomer de kenmerkende witte halsvlek.
Er overwinteren enorme groepen Houtduiven uit Noord- en Oost-Europa in West-Europa, ook in Nederland.
Huismus (Passer domesticus)
De huismus (Passer domesticus) is een kleine zangvogel die samen met ongeveer twintig andere mussensoorten zoals de ringmus, behoort tot het geslacht Passeridae.
De huismus eet voornamelijk van zaden en insecten. De zang van het vogeltje is niet zeer uitgebreid, het beperkt zich doorgaans tot getjilp. De huismus beweegt zich vliegend of hippend voort. De mus is een standvogel: hij blijft doorgaans rond dezelfde plek wonen.
Het mannetje is duidelijk te onderscheiden van het vrouwtje, omdat de eerste zwarter en bruiner getekend is (zie foto).
De huismus is 14 tot 16 cm lang en weegt maximaal 30 gram. Het mannetje heeft een grijze kruin en een zwarte bef, terwijl het vrouwtje een gestreepte rug heeft met een effen lichte borst. Beide seksen hebben een oogstreepje.
kauw (Corvus monedula)
De kauw (Corvus monedula) behoort tot de kraaiachtigen en is een van de kleinste leden van deze familie (34-39 cm lang).
Kenmerkend zijn de grijzige nek en de lichtgroen-grijze oogring. Kauwen komen meestal in groepen of paren voor en foerageren vaak gezamenlijk in weilanden en wegbermen, ook wel binnen de bebouwde kom. De paarband blijft ook binnen een grotere groep waarneembaar. De roep is een tsjak-tsjak achtig geluid.
Ze eten ongewervelde dieren zoals insecten, maar ook zaden, granen en in de stad broodkruimels en etensafval. Kauwen zijn opportunisten die ook in de omgeving van de mens vrij makkelijk voedsel vinden.
In Nederland nestelen ze meestal in groepen in bomen, elders ook wel op rotswanden en in schoorstenen. De 4-5 eieren worden 16-17 dagen bebroed en de jongen vliegen na ongeveer 30-35 dagen uit.
Kerkuil (Tyto alba)
De kerkuil (Tyto alba) is zeer wijd verbreid en komt voor in Amerika, Europa, Azië, Australië en Afrika. Deze uil is ongeveer 35 cm groot en hij leeft in open of half-open laaglandgebieden waaronder cultuurland als steden, dorpen en landbouwgrond. ’s Nachts gaat de kerkuil op zoek naar kleine knaagdieren. Tijdens de jacht vliegt hij vooral laag over de grond. Boomholten, ruïnes, schuren en bijgebouwen worden als nestelruimte gebruikt door de kerkuil.
Koolmees (Parus major)
De koolmees (Parus major) is een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae).
Volwassen koolmezen zijn circa 14 centimeter groot. De koolmees heeft een zwarte kruin, witte wangvlekken, een gele borst en op de borst een overlangse zwarte band. Mannetjes zijn te herkennen aan hun duidelijk bredere zwarte band. Juveniel is valer gekleurd en mist zwarte streep (verschijnt in het najaar). Het is de grootste soort, zoals de Latijnse naam verraadt.
Niet schuw, eten soms pinda's uit de hand. In de broedtijd eten ze voornamelijk insecten en en insectenlarven. Nestelt in boomholen en ook vaak in nestkastjes. Zijn voorkeur gaat uit naar een vlieggat dat een paar millimeter groter in doorsnede is dan dat van de pimpelmees. Koolmezen staan erom bekend dat ze doppen van melkflessen openpikken om bij de room te kunnen.
Kraai (Corvus corone)
De zwarte kraai (Corvus corone) is een grote zangvogel en komt algemeen voor in de Benelux.
Een volwassen kraai is ongeveer 48 cm lang en weegt ongeveer 550 gram. Kraaien zijn groter dan kauwen en in tegenstelling tot de laatste helemaal zwart, vaak met een wat groenige glans over de veren. Van de ongeveer even grote roeken zijn ze te onderscheiden doordat de laatsten een kaal stuk huid aan de basis van de snavel hebben, waardoor de snavel langer lijkt. Een roeksnavel is ook lichter van kleur dan de gitzwarte kraaiensnavel. Verder heeft een kraai ook veren op zijn dijen en een roek niet.
Het nest wordt vanaf maart in de vork van een boomtak gebouwd door beide ouders; de eieren worden door het vrouwtje uitgebroed. Ze nestelen niet in kolonies, zoals roeken en kauwen doen.
Merel (Turdus merula)
De merel (Turdus merula) is een vogel uit de familie van de lijsters (Turdidae). De naam komt van het Latijnse woord voor merel, merula. De merel is één van de bekendste soorten van deze lijsterfamilie en daarmee een typisch voorbeeld van een zangvogel. De soort turdus merula is nog eens verder opgedeeld en enkele ondersoorten. Zo leeft op de Canarische Eilanden de turdus merula cabrerae. Turdus merula azorensis (op de Azoren) is kleiner en donkerder. Hier heeft het vrouwtje ook vaak een helder gekleurde snavel. Turdus merula mauritanicus (te vinden in Noordwest Afrika) is grijzer dan onze merel. Vaak verdeelt men de merels ook onder in twee groepen: stads- en bosmerels.
Pimpelmees (Parus caeruleus)
De pimpelmees (Parus caeruleus) is 's winters in de Lage Landen een geregelde verschijning in de tuin, vooral als mensen wat pinda's in een zakje opgehangen hebben. Pimpelmezen zijn ware acrobaten en hangen behendig aan zo'n zakje en weten feilloos het nootje uit de schaal te pikken. Daar hebben andere vogels die meestal heel wat onhandiger zijn het nakijken bij.
De pimpelmees heeft een vrij onmiskenbaar verenpak met zijn kobaltblauwe kruin, staart en vleugels die prachtig afsteken tegen het geel van zijn onderkant. Mannetje en vrouwtje ogen vrijwel gelijk (vrouwtje vaak iets matter gekleurd). Juveniel is op de kop groenig in plaats van blauw en op de wang gelig. Ze zijn met hun elf à twaalf centimeter (van snavelpunt tot staarteinde) iets kleiner dan de koolmees.
Ringmus (Passer montanus)
De ringmus (Passer montanus) is een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken (Passeridae).
De ringmus wordt ongeveer 14 cm groot, een fractie kleiner dan de huismus. Beide seksen hebben een kastanjebruine kruin, een zwarte wangvlek en een witte halsring.
De ringmus is een broedvogel. Het merendeel van de ringmussen is standvogel, sommige Nederlandse ringmussen gaan in de winter zwerven (naar bijvoorbeeld Frankrijk). Andere ringmussen komen juist van Noord- en Oost-Europa naar Nederland.
Ringmussen leven in bossen, tussen verspreid staande bomen en struiken, in het open veld en in tuinen. Ze nestelen in holle bomen. Net als de huismus komt de ringmus ook in dorpen en steden voor, met name in Zuid- en Oost-Europa.
Roek (Corvus frugilegus)
De roek (Corvus frugilegus) is een grote zangvogel en behoort tot de kraaiachtigen. en is een van de vijf soorten van het geslacht Corvus in Nederland. (De andere zijn de kauw, de raaf, de zwarte kraai en de bonte kraai.).
De roek is vrijwel even groot als een kraai, ongeveer 46 cm lang. Het verenkleed is zwart met een blauwige metaalglans. De snavel is ook zwart, iets naar beneden gebogen en wat slanker dan die van de kraai. Als het dier wat ouder is, wordt de snavelbasis kaal en de onderliggende grijze huid zichtbaar. Het bovendeel van de poten is, anders dan bij kraaien, met wat veren bekleed. Deze 'broek' maakt ook jonge roeken (jonger dan acht maanden), die nog geen lichte snavelbasis hebben, in het veld herkenbaar. De beide geslachten zijn gelijk gevederd en even groot.
Steenuil (Athene noctua)
De steenuil (Athene noctua) is een klein gedrongen uiltje, met felle gele ogen en witte wenkbrauwstrepen.
De steenuil is de kleinste uil in de Benelux. Het is een klein gedrongen uiltje van ongeveer 21 tot 23 cm. De steenuil heeft een platte kop met felle gele ogen, en heeft aan de bovenkant bruine veren met lichte vlekken.
De steenuil is een broedvogel en standvogel in de Benelux.
De steenuil heeft het liefst een landschap met weilanden, knotwilgen, fruitbomen en oude schuurtjes. Bloemrijke weilanden zijn een echt muizen- en regenwormparadijs, dus daar vindt hij veel voedsel. Knotwilgen, fruitbomen en schuurtjes hebben dikwijls holletjes waarin de steenuil zijn jongen kan grootbrengen. Hagen en houtkanten zijn plaatsen waar hij zich kan verschuilen.
Tortelduif (Streptopelia turtur)
De tortelduif (Streptopelia turtur) is een vogel uit de familie van duiven (Columbidae). Ze worden 25 tot 30 cm groot en zijn daarmee iets kleiner dan andere duivensoorten. In het broedseizoen komen ze voor in bossen, struiken en landbouwstreken. Tevens zijn ze te zien in veel parken en tuinen. Tortelduiven hebben een zwarte staart met een eindband en een witte hals met zwarte strepen. De officiële Nederlande naam van de soort is tegenwoordig Zomertortel.
In de zomer zijn tortelduiven in vrijwel heel Europa aanwezig, met uitzondering van Ierland, Schotland en Scandinavië. De soort broedt in grote delen van Europa, maar overwintert in Afrika. In een aantal landen rond de Middellandse Zee is de tortelduif een populaire jachtvogel.
Vink (Fringilla coelebs)
De botvink of boekvink of charlotte (Fringilla coelebs) is een zangvogel. In de lage landen is hij de bekendste en meest frequent voorkomende vinkachtige. Zijn zang, waarvan de laatste tonen de "vinkenslag" wordt genoemd, kent vele dialecten. Lengte ca. 15 cm. Poten bruin.
Adult ♂ (man) onderzijde wijnrood, buik wat lichter. Kruin en nek leiblauw, voorhoofd zwart. Rug donkerroodbruin. Vleugel met twee witte banden. Groenachtige stuit. Staart met witte rand.
Adult ♀ (pop) vleugel en staart bruiner; onderzijde lichtgrijsbruin; rug donkerder olijfgroen.
Juveniel als adult ♀.
In de trektijd kleine of grote groepen van soortgenoten, soms bestaande uit één sekse. Zeer vaak met verwante kepen. Ook met andere zaadeters als groenling en geelgors, verder met piepers en leeuwerikken.
Vlaamse gaai (Garrulus glandarius)
De gaai, ook wel Vlaamse gaai genoemd, (Garrulus glandarius) is een kraaiachtige.
Deze vogel komt voor in het cultuurland en de bossen. Hij is over heel Europa verspreid met uitzondering van het hoge noorden. In nieuwbouwwijken zie je in eerste instantie vaak de ekster, naarmate de bomen en struiken in het openbaar groen en in tuinen groter worden, wordt deze langzaam aan verdrongen door de gaai.
De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Bijna elk plekje wordt herinnerd; wat niet teruggevonden wordt groeit uit tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel 'de grootste bosbouwer' genoemd.
Winterkoning (Troglodytes troglodytes)
De winterkoning of vaak winterkoninkje (Troglodytes troglodytes) is de enige Europese winterkoningsoort. Het is een klein gedrongen vogeltje van ongeveer tien centimeter met een opgewipt staartje. Hij is uit Amerika overgekomen en heeft zich in vrijwel geheel Europa gevestigd. De winterkoning is nu een van de meest algemene vogelsoorten, omdat hij zich heeft aangepast aan zowel bosrijke als open gebieden.
Winterkoninkjes eten voornamelijk insecten en spinnen. Ze kunnen tot drie nesten per jaar hebben, met vijf à acht jongen per nest. Deze nesten worden in het voorjaar door het mannetje gemaakt, in heggen, struiken en takkenbossen. Hij maakt er meestal ook meerdere per territorium. Zijn zang is helder, met vibrerende scherpe trillers.
Wulp (Numerius arquata)
De wulp (Numenius arquata) is een vogel uit de familie van snipachtigen (Scolopacidae). De dieren broeden op vochtige heidevelden, in moerassen, natte weilanden en in de duinen. Ze worden ongeveer 55 centimeter groot.
Wulpen hebben een zeer lange, omlaag gebogen snavel. In tegenstelling tot de houtsnip hebben ze geen kopstrepen.
In Nederland zijn wulpen het gehele jaar aan te treffen. In België, Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië en Griekenland overwinteren ze alleen. Daarentegen komen ze in Oost-Europa alleen in het broedseizoen voor.